Michael Elias

Al na enkele bladzijden worstelen met het Frans van Girards hoofdwerk, Des choses cachées depuis la fondation du monde, was me helder: eindelijk een denkraam dat de schotten tussen disciplines doorbreekt, eindelijk begrijp ik Don Quichotte - en Swann, met zijn hopeloze liefde. Door Girards gesprekken met de psychiaters Jean-Michel Oughourlian en Guy Lefort (waarvan dit boek de neerslag vormt) begon me verder te dagen hoe nabootsing en rivaliteit in mijn leven hadden gewerkt. Ook andere lezers hadden die ervaring, is me later gebleken.

Halverwege de hoofdstukken over de joodse en christelijke geschriften liep ik echter vast, want hoe nu verder met zijn zogenoemde atheïstische religietheorie? Sinds 9/11 is religie een hot item in de publieke discussie, maar in het laatste kwart van de twintigste eeuw lag dat nog anders. Ik zag er tegenop mijn opvatting over het christendom (achterhaald, toch?) te moeten bijstellen en was bevreesd om de scapegoat labels rechtse rakker of katholieke kwezel opgeplakt te krijgen. Toch ben ik door blijven studeren, in het besef dat Girard zijn tijd vooruit was: met zijn interpretatie van mythen, rituelen en het offer, van religie als basis om geweld te beteugelen en van de zondebok als betekenisgever. In de jaren negentig gingen neurofysiologen met hun ontdekking van spiegelneuronen zijn mimetische theorie ondersteunen.

De Girard Studiekring, waar ik me in 1985 bij kon aansluiten, heb ik dikwijls als rizoom beschouwd, met verrassende verwortelingen. Aan de inspirerende besprekingen door alle jaren heen heb ik veel te danken. Ik ontmoette er Mathijs Schoffeleers: samen schreven we een verhandeling over Jefta en in 1998 promoveerde ik bij hem op raadselverhalen. Met André Lascaris stelde ik ter gelegenheid van het 30-jarig jubileum van onze kring de bundel Rond de crisis samen. Toen we die eind november 2011 in De Balie presenteerden, uitte ik in mijn toespraak de wens dat we, onze rivaliteiten disciplinerend, nog lang zouden kunnen blijven lernen.