Nieuws & Agenda

In het goed gevulde Auditorium van de Vrije Universiteit van Amsterdam gaf Hans Achterhuis op vrijdag 14 november de eerste Girard Lezing. De mimetische theorie is voor het onlangs gepubliceerde boek dat Hans Achterhuis samen met Nico Koning heeft geschreven, De kunst van het vreedzaam vechten, een zeer belangrijke inspiratiebron geweest, en het denken van René Girard is in dit boek dan ook prominent aanwezig. Met de zinsnede “staande op schouders van reuzen” – een al ouder spreekwoord dat met name bekend is geworden door Isaac Newton – greep Achterhuis de Girard Lezing aan om zowel zijn bewondering voor Girard te uiten, alsook duidelijk te maken dat hij steeds een kritische afstand tot Girard en de mimetische theorie wil bewaren.

Het samenvatten van een complexe lezing als die van Hans Achterhuis is niet zonder risico’s. Achterhuis ging onder andere uitgebreid in op een kritiek uit 1964 van René Girard op L’Étranger van Albert Camus. Daarnaast steggelde hij met Girard over de vraag of het het Christendom wel is dat steeds zo sterk wijst op de onzinnigheid van alle geweld. Ook de Grieken wisten dat oorlogen vaak "nergens" over gaan, zoals Achterhuis met passages uit teksten van Homerus, Plato en Euripides wist aan te tonen.

Maar misschien kunnen we toch zeggen dat het belangrijkste verschil tussen Achterhuis en Girard bestaat in de manier waarop zij de moderniteit ervaren of waarderen. Terwijl Girards visie de apocalyptische dichtregels van W.B. Yeats things fall apart; the centre cannot hold in herinnering roepen, ervaart Achterhuis de moderniteit als juist een wereld waarin je kunt leren hoe rivaliteiten en tegenstellingen niet tot het einde toe, tot moord en doodslag, hoeven door te escaleren. Tegenover de bijna gewisse apocalypse van Girard stelt Achterhuis een wereld vol nieuwe kansen in het verschiet. 

 

 

Achterhuis sloot af met een aantal opmerkingen over IS, een recent geweldsfenomeen dat op haar beurt een vraag omtrent geweldadige reacties oproept, een vraag die de gemoederen in deze tijd zeer bezig houdt. In krantenrecensies is regelmatig opgemerkt dat Achterhuis en Koning de publicatie van De kunst van het vreedzaam vechten zeer goed getimed hebben, maar natuurlijk is alles (als in elk project van lange adem) al weer in een andere tijd begonnen en staan de auteurs nu voor de opgave hun beschouwingen anno vandaag verder te verdedigen. Heeft de tijd Achterhuis en Koning al ingehaald of niet? Moet een boek dat geconcipieerd is in een betrekkelijke politieke rust nu al geamendeerd worden?

In zijn bespreking van de Islamitische Staat hield Achterhuis vooralsnog vast aan de standpunten die hij in een ander tijdperk had ingenomen. Buiten de tekst van zijn lezing, citeerde hij zelfs met misprijzen een recent krantenartikel waarin werd gezegd dat er met alle facties in de wereld gesproken kan worden, maar nooit met de IS. O jee, hoor je de vredes-apostelen dan denken, of ze nu christelijk zijn, Girardiaans zijn of een Sonderweg à la Achterhuis volgen – doen wij nu iets verkeerd, speelt de verschrikkelijke westerse arrogantie ons weer parten, zijn we niet weer opnieuw zondebokken aan het aanwijzen? Maar denk ook na over het alternatief – gaan praten met de IS? Nu al? Is dat wat de kunst van het vreedzaam vechten voorstaat? Hoor ik het goed? Dat je moordend en verkrachtend de wereld over kunt gaan en dat je altijd, of al heel snel, mag rekenen op mensen die met je willen praten en je uitzinnige destructiviteit serieus willen nemen? 

De drie respondenten hadden ieder op hun manier grote moeite met Achterhuis’ vreedzame voorstel. Govert Buijs noemde de geschiedschrijving van Achterhuis & Koning nogal plat, en trok daarin een vergelijking met het positivisme van Auguste Comte. Hij klaagde over de manier waarop bij Achterhuis en Koning alles door een secularistische moderniteits-wringer moet worden gehaald. Daarnaast kon Buijs niet meegaan in het bij Achterhuis bijna categorische vredesaanbod, opmerkend dat er zich zeer perfide, gewelddadige ideologieën kunnen ontwikkelen, waartegenover, zeker als die een grote invloed dreigen te krijgen, tegengeweld onontkoombaar is. Het toonvoorbeeld is hierbij natuurlijk het nazisme in de 20ste eeuw. IS en nazisme, dat is geen overtrokken vergelijking. Er zijn zelfs al commentatoren die hebben geschreven dat IS erger en zorgwekkender is dan het nazisme, omdat de nazi's hun misdaden altijd nog probeerden te verdoezelen in plaats van uit te schreeuwen.

De tweede respondent was Dieuwertje Kuijpers die zich niet werkelijk in de filosofische theorievorming rondom geweldsprocessen, laat staan de mimetische theorie en de respons van Achterhuis daarop leek te hebben verdiept. Desalniettemin was haar bijdrage zeer welkom omdat zij detailkennis had over het conflict rondom de IS, en – eerder in een praktische dan in een ideologische teneur – uittekende hoezeer de Soennitische moslims, die nu in het gebied wonen waar IS de scepter zwaait, in een soort val zijn gelopen die juist door Westerse interventies is ontstaan. Haar bijdrage deed het gevoel rijzen dat we in al onze prachtige discussies over geweld, of, nog mooier, het afzien van geweld, we nog wel steeds heel erg bezig zijn met onszelf.

En ook in de bijdrage van respondent Mark van Vugt ging het over de IS. Zijn focus lag op het gevoel van eigenwaarde bij jihadstrijders. De context van zijn respons was een mengeling van antropologie en evolutiebiologie, zodat de chimpansees uit het werk van Frans de Waal ook nog eens in deze discussie voorbij mochten komen. Het verhaal van de jihadstrijder, zei van Vugt, is nu het verhaal van de reis van een loser in Almere naar de held op het IS-slagveld. Deze statusbedeling zou in de ogen van van Vugt omgekeerd moeten worden – dat wil zeggen – jonge mannen met een moslim-achtergrond zouden een werkelijke plaats moeten krijgen in onze maatschappij, en meer nog binnen islamitische leefwerelden waaraan ze hun eigenwaardebeelden voor het grootste gedeelte ontlenen. Inderdaad, het is onmogelijk een sociaal-politiek fenomeen als jihadisme te begrijpen zonder na te denken over status of gevoelens van eigenwaarde. Het vraagstuk van de statusbedeling en statusontlening en het vraagstuk van de mimese liggen zeer dicht bij elkaar.

Voor een echte beantwoording over vragen hoe we nu met verder moeten met de IS, of over de houdbaarheid van de ideeën die Nico Koning en Hans Achterhuis in hun boek naar voren brengen, is het misschien nu nog te vroeg. Wel zullen Girardiaanse inzichten steeds een onmisbare component vormen in deze discussie. 

 

Mocht er voldoende belangstelling bestaan dan zal de Girard Studiekring een vervolgsessie organiseren over de veelheid aan onderwerpen die bij de Girard Lezing zijn aangeroerd. U kunt zich daarvoor hier opgeven.

Berry Vorstenbosch