Zondebok

In het cultuurhistorische scenario van Girard wordt de mimetische crisis opgelost door het aanwijzen van één persoon die verantwoordelijk wordt geacht voor de ontstane onrust in de samenleving, een zondebok, die wordt uitgedreven uit de gemeenschap, gestenigd of opgejaagd naar een hoogte buiten dorp of stad. Het gemeenschappelijk uitdrijven van zo iemand verenigt de ongedifferentieerde massa, zodat de gemoederen tot bedaren kunnen komen en de vrede zich kan herstellen - voor zolang als het duurt. Zo loopt de fase waarin een uitweg wordt gevonden uit de mimetische crisis uit op wat later een offer zal worden genoemd, maar wat in oorsprong een gemeenschappelijk bedreven moord is. Dit is de oorsprong van het zondebokmechanisme.


Wie behoren tot de categorie slachtoffers?


Het geweld moet worden gekoeld op iemand die men zonder gevaar kan doden omdat niemand het voor hem op zal nemen. In zijn oorspronkelijke vorm is deze gewelddaad zonder wraakrisico; dat risico is het verschil tussen offerbaar en niet-offerbaar. Vandaar dat men in mythen van veel volken verhalen aantreft over 'buitenstaanders', marginalen die op een of andere manier niet meer bij de gemeenschap horen, die een handicap hebben (oud, kreupel of blind zijn). Deze uitzonderlijke personen zijn het die bij uitstek tot zondebok gemaakt kunnen worden: vergelijk Oedipous, Hefaistos en Jacob. In riten wordt het proces van de uitdrijving in verhulde vorm herhaald.


Twee gezichten van de zondebok


Enerzijds was de zondebok een beklagenswaardig en veracht persoon, anderzijds viel hem vaak een haast religieuze verering ten deel. In het denken van Girard zijn alle Griekse goden als uitgedreven zondebokken te beschouwen; dit verklaart hun 'dubbelheid', waardoor ze enerzijds heil brengen, anderzijds wandaden hebben bedreven. Ze trouwen met hun zuster, slapen met hun moeder, vermoorden hun vader, eten hun kinderen op etc. Dergelijke beschuldigingen in archaïsche religies zijn stereotiep voor zondebokken. Men begrijpt niet hoe er na de crisis weer vrede is gekomen. Om het eigen aandeel in het collectieve geweld niet onder ogen te hoeven zien, wordt dit wonder aan een god toegeschreven. En om de uitdrijving te rechtvaardigen wordt een verhaal geconstrueerd (een mythe) over de verdorvenheid van de zondebok.

Monarchie


Het zondebokmechanisme verklaart ook het ontstaan van een instituut als het koningschap. Door allerlei uitstelprocedures leerden de vaak door willekeur aangewezen slachtoffers om de goddelijke macht die zij door hun aanstaande offering zouden krijgen, in een eerder stadium uit te oefenen, waarmee zij zich koninklijke macht verwierven. Uit de rituelen die tot vergoddelijking en demonisering van de zondebok zouden leiden, ontwikkelde zich een politieke institutie met effectieve macht, waardoor het daadwerkelijk offeren van de monarch onmogelijk en ondenkbaar zou worden. Dat verklaart de goddelijkheid die aan veel koningen en keizers werd, en soms nog wordt, toegedicht. Deze is niet te beschouwen als een toegevoegde eigenschap (zoals sommige sociologen stellen), maar ontstaan uit een 'uitgesteld zondebokschap'.


Taboes

Dat de koning als onderdeel van zijn aanvaarding van het koningschap in verschillende traditionele samenlevingen taboes overtreedt, komt omdat hij het slachtoffer van weleer moet spelen, beticht van misdaden (incest, vadermoord etc.). De intronisatieriten in Oost-Afrikaanse monarchieën berusten op dit principe. De koning heeft de januskop van de zondebok, zowel boosaardig als weldadig, corresponderend met respectievelijk de overtredingen die zouden zijn begaan (desintegratie) en de heilzame werking (unificering). In die opvatting is de koning te beschouwen als voorwaardelijk ten offer bestemd, waarmee hij in staat is om rivaliteit en wraak binnen een samenleving in goede banen te leiden. Bij de institutionalisering van de monarchie en de opkomst van een nieuwe rechtsopvatting kan de gedachte aan het offeren van de koning geheel verdwijnen.